NGB Artikel 12 - De schepping van de wereld; de engelen

>> dinsdag 1 mei 2007

Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht1. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen.
Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn gezanten te zijn en zijn uitverkorenen te dienen2. Sommigen van die engelen zijn uit die verheven staat waarin God hen geschapen had, in het eeuwige verderf gevallen3, maar door Gods genade hebben anderen volhard en zijn in hun oorspronkelijke staat staande gebleven. De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn4. Uit alle macht loeren zij als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten5. Zij zijn daarom door hun eigen slechtheid veroordeeld tot de eeuwige ondergang en verwachten dagelijks hun verschrikkelijke pijnigingen6.
Wat dit betreft verwerpen en verfoeien wij de dwaling van de Sadduceeën, die loochenen dat er geesten en engelen zijn7. En ook de dwaling van de manicheeërs, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelf hebben en van nature slecht zijn; zij ontkennen dat de duivelen slecht zijn geworden.
Misschien verbaast het je dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis pas in artikel 12 spreekt over de schepping. Toch is dit niet zo vreemd. Het gaat in de Bijbel en in het geloof namelijk niet in de eerste plaats antwoorden op vragen als: 'Hoe is alles ontstaan?', hoe interessant dat ook is. Een veel hoger doel is God leren kennen. Daarom begint de Nederlandse Geloofsbelijdenis dan ook met een artikel over God zelf (artikel 1) en de vraag hoe we God kunnen leren kennen - namelijk uit de schepping en vooral uit de Bijbel, Gods Woord (artikelen 2-7). Daarna volgen er een paar artikelen over de Drieëenheid (artikelen 8-11). En pas als we goed zicht hebben gekregen op deze enige God, die zich in drie Personen heeft geopenbaard kunnen we verdergaan met wat God allemaal heeft gedaan - te beginnen met de schepping. Let er op dat dit artikel nog niet specifiek ingaat op de mens. Daar zal artikel 14 over gaan.

Dit artikel valt uiteen in twee delen: eerst gaat het over de schepping, daarna gaat het over engelen, zowel goede als slechte.

***

Over de schepping
Ook dit is weer zo'n artikel dat je rustig moet lezen en op je in laten werken. Ik ben snel geneigd te redeneren in de trant van: 'Oh, dat weet ik al, laat ik maar gauw verder lezen.' Dan zoek ik alleen nog naar iets nieuws, maar het is ook goed om eens wat langer stil te staan bij datgene wat je al denkt de weten. Ik noem slechts een paar voorbeelden (hieronder vet afgebeeld), het erover denken laat ik aan jezelf over...:

De Vader heeft alles door zijn Woord, door zijn Zoon geschapen.
Hij heeft alles uit niets geschapen.
Hij deed dat toen het Hem goed dacht.
Hij gaf elk schepsel zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen.
Hij houdt ze allemaal in stand en regeert ze.
Hij doet dat overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en oneindige kracht.

Over de engelen
Ik heb me afgevraagd waarom het in dit artikel over engelen gaat en ook waarom het grootste deel over hen gaat. Ik denk dat er 2 redenen zijn:

In de eerste plaats is duidelijk dat engelen geschapen zijn. Ze zijn er niet van eeuwigheid, zoals God dat wel is. Ook hen heeft God door de Zoon geschapen (Kolossenzen 1:16). Het zijn echter ook de éérste schepselen die God schiep: 'Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? (...) Waarop zijn haar pijlers neergelaten, (...) terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden?' (Job 38:4-7). Ze waren er dus al toen de aarde gegrondvest werd!

In de tweede plaats heeft het volgens mij te maken met de vraag naar de oorsprong van het kwaad. Ezechiël 28:11-19 laat ons daar in de vorm van een profetie over de koning van Tyrus iets van zien. Vers 13 van dat hoofdstuk laat zien dat satan geschapen is en vers 15 vertelt dat hij onberispelijk was 'totdat er onrecht in [hem] werd gevonden'. In vers 14 wordt hij een cherub genoemd en daarmee was hij een van de hoogstgeplaatste engelen, die andere engelen onder zich had. Hoewel hooggeplaatst was hij toch een schepsel. Eens was hij goed, maar hij is gevallen, en in zijn val heeft hij een heel aantal engelen meegenomen. Hoe de satan, die eerst onberispelijk was, er uiteindelijk toe gekomen is te zondigen dat vertelt de Bijbel echter niet... Duidelijk is echter dat, nog voordat de eerste mens zondigde, er al kwaad was. De duivel was al gevallen en wilde de mens verleiden, wat hem ook gelukt is. Ik besef dat dit allerlei vragen oproept. De NGB gaat daar dan ook in de volgende artikelen verder op in als het gaat over de voorzienigheid van God en de schepping en de val de mens.

Wat mij treft en troost in dit gedeelte over de engelen is dat God ze geschapen heeft om zijn uitverkorenen te dienen. Dit lezen we in Hebreeën 1:14. Ze zijn er om mij te helpen. Bijzonder!
Verder laat dit artikel me beseffen dat er een niet te onderschatten strijd gaande is. Het is oorlog. De Bijbel spreekt over de 'overste van de macht der lucht' (Efeze 2:2) en de 'boze geesten in de hemelse gewesten' (Efeze 6:12). Het is goed om te beseffen dat ze mij de vernieling in willen helpen en dat ze er alles aan doen om me bij God vandaan te krijgen. Maar, als kind van God mag ik weten: in die strijd staan Gods goede engelen me bij (Psalm 91:11).

1
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. (Gen 1:1)

En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. (Gen 2:3)

Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter. (Jes 40:26)

Ach, Here HERE, zie, Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt door uw grote kracht en uw uitgestrekte arm; niets zou te wonderlijk zijn voor U (Jer 32:17)

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; (Kol 1:15,16)

[leugensprekers die] het huwelijk verbieden en het genot van spijzen, welke God toch geschapen heeft om met dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen, die tot erkentenis der waarheid gekomen zijn. (1 Tim 4:3)

Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare. (Heb 11:3)

Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen. (Opb 4:11)

2
Looft de HERE, gij zijn engelen,
gij krachtige helden die zijn woord volvoert,
luisterend naar de klank van zijn woord.
Looft de HERE, al zijn heerscharen,
gij zijn dienaren, die zijn wil volbrengt.
(Ps 103:20,21)

Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem. (Mat 4:11)

Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven? (Heb 1:14)

3
Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. (Joh 8:44)

Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; (2 Pet 2:4)

en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; (Judas :6)

4
De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de HERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? 2 Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, 3 maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. 4 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. (Gen 3:1-5)

Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. (1 Pet 5:8)

5
want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. (Ef 6:12)

4 En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. (...)
13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind gebaard had. 14 En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd. 15 En de slang wierp uit haar bek water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten medesleuren. 16 En de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond en verzwolg de stroom, die de draak uit zijn bek had geworpen. 17 En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben; (Opb 12:4,13-17)

7 En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten, 8 en hij zal uitgaan om de volkeren aan de vier hoeken der aarde te verleiden, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand der zee. 9 En zij kwamen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder uit de hemel en verslond hen (Opb 20:7-9)

6
En zie, zij schreeuwden, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen? (Mat 8:29)

Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. (Mat 25:41)

en de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden. (Opb 20:10)

7
Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander. (Hand 23:8)

Alle aangehaalde bijbelteksten komen uit de NBG vertaling 1951.

0 reactie(s):

Blogarchief

Recente berichten

Profiel

christen, gereformeerd, man, vader, software engineer

Boekenstapel

  • De Bergrede - D. Martyn Lloyd-Jones
  • De vreugde van God - John Piper
  • God de Vader, God de Zoon (serie geloofsleer, deel 2) - D. Martyn Lloyd-Jones
  • Vechten voor vreugde - John Piper

  Template gebaseerd op © Free Blogger Templates Wild Birds door Ourblogtemplates.com 2008

Terug naar boven