Posts tonen met het label Theologie - Zonde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Theologie - Zonde. Alle posts tonen

Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid

>> zondag 7 juni 2009

'[Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid] betekent een verlangen vrij te zijn van de zonde, omdat de zonde ons van God scheidt. In positieve zin betekent dit dus een verlangen om rechtvaardig voor God te kunnen zijn; (...) De man die hongert en dorst naar de gerechtigheid is de man die inziet dat de zonde en zijn opstand tegen God hem van Gods aangezicht gescheiden hebben, en die naar de oorspronkelijke paradijs-relatie terugverlangt, de oorspronkelijke relatie van gerechtigheid voor Gods aangezicht. Onze eerste ouders werden voor Gods aangezicht rechtvaardig geschapen. Zij verbleven bij Hem en wandelden met Hem. Dat is de verhouding waar zo iemand naar verlangt.
Maar het betekent ongetwijfeld ook een verlangen om vrij te zijn van de macht der zonde. Nu we hebben ingezien wat het betekent om arm van geest te zijn, te treuren om de zonde binnen in ons, komen we vanzelfsprekend bij het stadium waarin verlangd wordt vrij te zijn van de macht der zonde. De man die we hebben bezien in het licht van deze Zaligsprekingen, is een man die is gaan inzien dat de wereld waarin hij leeft wordt beheerst door de zonde en Satan; hij ziet dat hij beheerst wordt door een kwaadaardige invloed, hij heeft gewandeld "naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid". Hij ziet dat "de god dezer wereld" hem voor verscheiden dingen heeft blindgemaakt, en nu verlangt hij daar vrij van te zijn. Hij wil weg van de macht die hem, ondanks zichzelf meesleurt, weg van de "wet in mijn leden" waar Paulus van spreekt in Romeinen 7. Hij wil vrij zijn van de macht en de tirannie en de slavernij der zonde. (...)
Maar het gaat nog verder. Het betekent ook een verlangen vrij te zijn van het verlangen naar de zonde, want we zien niet alleen dat de mens die zich in het licht van de Schrift onderzoekt, ontdekt dat hij een slaaf van de zonde is; nog vreselijker is het dat hij ervan houdt, hij verlangt ernaar. Zelfs als hij heeft ingezien dat het verkeerd is, dan nog wil hij het. Maar de mens die hongert en dorst naar de gerechtigheid is iemand die af wil van dat verlangen naar de zonde, niet alleen aan de buitenkant, maar ook van binnen. Met andere woorden, hij verlangt naar verlossing uit wat we het bederf van de zonde zouden kunnen noemen. De zonde is iets dat de binnenste kern van onze wezen en onze natuur aantast en bederft. De christen is iemand die verlangt daarvan verlost te zijn.
Misschien kunnen we dit alles als volgt samenvatten. Hongeren en dorsten naar gerechtigheid is het verlangen bevrijd te zijn van het eigen ik in al de vreselijke verschijningsvormen die het heeft. (...)

Tot nu toe heb ik alles nogal in negatieve zin beschreven; maar laat ik het nu eens positief beschrijven. Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid betekent niets anders dan een verlangen werkelijk heilig te zijn. Ik weet geen betere manier om het te omschrijven. De man die hongert en dorst naar de gerechtigheid is de man die de Zaligsprekingen in het dagelijks leven wil uitbeelden. Hij is een man die de vrucht van de Geest in al zijn handelingen en in heel zijn leven en bezigheden wil vertonen. Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid is een verlangen te zijn als de Nieuwtestamentische mens, de nieuwe mens in Christus Jezus. (...) Ik zal nog verder gaan. Het betekent dat het voornaamste verlangen in het leven van deze mens is God te kennen en in gemeenschap met Hem te leven, om met God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in het licht te wandelen. (...) En uiteindelijk is dit niets anders dan een hunkering en verlangen om als Jezus Christus Zelf te zijn.'

Martyn Lloyd-Jones over Matteüs 5:6

Lees meer...

Ken de aard van het kwaad in je hart

>> donderdag 19 februari 2009

John Piper schreef vandaag op de blog van desiringgod.org een mooi commentaar met de titel Knowing the Nature of Your Evil. Ik vind het een erg waardevol stukje, daarom heb ik het maar even vertaald:

Het is belangrijk dat wij de aard van het kwaad dat in ons hart zit kennen.

Denk je dat de essentie van jouw slechtheid ligt in het niet gehoorzamen van geboden? Dat is een goed startpunt. Maar het is niet de essentie van jouw slechtheid. Geboden benoemen eenvoudigweg het kwaad en zijn vruchten, en vertellen ons het niet te doen.

De essentie van onze slechtheid is dat wij iets anders verkiezen boven God (Romeinen 1:23; 2:23). Geboden creëren niet de gelegenheid om kwaad te doen. Geboden benoemen het.

Nog lang voordat ons gezegd wordt om niet te begeren, begeren we al. Ongehoorzaam zijn aan het gebod ‘Gij zult niet begeren’, is niet hetzelfde als het kwaad van het begeren. Eerst is er het kwaad van het begeren, en vervolgens gaat het samen met de overtreding van het gebod om niet te begeren.

Paulus zei: ‘ook de begeerte zou ik niet gekend hebben, als de wet niet gezegd had: ‘U zult niet begeren’.’ (Romeinen 7:7 Telos). Dat wil zeggen: Ik zou niet afweten van de ernst van mijn slechtheid als God het niet had benoemd in de wet.

Maar het overtreden van de wet is niet de essentie van mijn slechtheid. De essentie van mijn slechtheid is het verlangen naar iets boven God, nog voordat enig gebod het benoemt.

Eén reden waarom het belangrijk is dit te weten, is dat het van invloed is op de manier waarop je streeft naar verandering. Als je denkt dat de essentie van je slechtheid gelegen is in het overtreden van geboden, dan zal je focus om te veranderen liggen in het houden van de geboden.

Dat is echter gedoemd om te mislukken en wel om twee redenen. Als we er goed in zijn, dan denken we dat we zijn veranderd, maar de essentie van onze slechtheid blijft. Als we er niet goed in kunnen worden, worden we wanhopig en stoppen we ermee.

Maar als we beseffen dat de essentie van onze slechtheid niet ligt in het overtreden van geboden, maar in het verkiezen van iets anders boven God, dan zal onze focus om te veranderen liggen in een verandering van het hart. Dat is hoopvol, want God heeft beloofd: ‘Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven’ (Ezechiël 11:19).

Dat is de inhoud van het nieuwe verbond dat Jezus heeft gekocht met zijn bloed (Lukas 22:20). We ontvangen het door geloof.

Lees meer...

NGB Artikel 14 - De schepping van de mens; zijn val en zijn verdorvenheid

>> dinsdag 9 september 2008

Wij geloven dat God de mens uit het stof van de aarde geschapen heeft1 en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en gelijkenis: goed, rechtvaardig en heilig2, zodat hij met zijn wil in alles overeen kon stemmen met de wil van God. Maar toen de mens in die eervolle positie verkeerde, heeft hij er geen acht op geslagen en zijn bevoorrechte plaats niet erkend. Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking3. Want het gebod ten leven dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en door zijn zonde heeft hij de gemeenschap met God, die zijn ware leven was, verbroken. Zo heeft hij zijn hele natuur verdorven en daarmee de lichamelijke en geestelijke dood verdiend4. Doordat hij in al zijn doen en laten goddeloos, verkeerd en ontaard is geworden, heeft hij alle voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren5. Hij heeft daarvan niets overgehouden dan geringe sporen, die niettemin voldoende zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen6. Al het licht in ons is immers in duisternis veranderd7, zoals de Schrift ons leert: Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen (Joh 1:5). Hier noemt de apostel Johannes de mensen duisternis. Daarom verwerpen wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, omdat de mens slechts een slaaf van de zonde is en niets kan aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn (Joh 3:27). Want wie zal zich erop beroemen uit eigen kracht iets goeds te kunnen doen, daar Christus immers zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt (Joh 6:44)? Wie zal wijzen op zijn eigen wil, als hij weet dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God (Rom 8:7)? Wie zal de moed hebben te spreken over eigen kennis, wanneer hij inziet dat een ongeestelijk mens niet aanvaardt wat van Gods Geest is (1 Kor 2:14)? Kortom, wie zal ook maar één eigen denkbeeld naar voren brengen, wanneer hij weet dat wij niet bekwaam zijn iets uit onszelf te denken, maar dat onze bekwaamheid Gods werk is (2 Kor 3:5)?
Daarom hoort het woord van de apostel onwrikbaar vastgehouden te worden, dat het God is die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt (Fil 2:13). Want geen kennis of wil is in overeenstemming met die van God, als Christus ze niet in de mens tot stand heeft gebracht, zoals Hij ons leert met de woorden: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh 15:5).
Het is goed om de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis niet los van elkaar te lezen. Ze staan niet voor niets in een bepaalde volgorde. De eerste elf artikelen gingen over God zelf, wie Hij is, en hoe Hij is. Artikel 12 ging over de schepping en zo maakten we een start met het nadenken over en het bewonderen van Gods daden. Artikel 13 liet zien dat God soeverein is en tegelijkertijd goed. Niets gaat buiten Hem om. Hij leidt en regeert alle dingen overeenkomstig zijn heilige wil op zo'n manier 'dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking'. Duidelijk blijkt dan in artikel 14 dat God de mens heeft gewild. Wij zijn geen resultaat van toeval. God zelf heeft ons gemaakt.

Maar als het dan in dit artikel ook over de val van de mens gaat, dan moeten we dus daarover vaststellen dat ook dit niet is gebeurd zonder zijn beschikking. God was niet verrast. Hij dacht niet: 'Wat overkomt Mij nu?' Tegelijk moeten we vasthouden wat we ook in artikel 13 belijden: 'Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt Hij er de schuld van. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig.' De Bijbel leert ons duidelijk dat de mens zelf volledig verantwoordelijk is voor zijn ongehoorzaamheid aan God. 'Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking', zo belijden we in artikel 14.

***

Met alle vorige artikelen over God en zijn werk in het achterhoofd zet dit artikel ons stil bij de ernst en de diepte van de zondeval. De mens heeft voor zichzelf en tegen déze God gekozen. De gevolgen van die val zijn dan ook dramatisch:

  • De mens is aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking.
  • De mens heeft geen omgang meer met God.
  • De hele natuur van de mens is verdorven.
  • De mens heeft zo de lichamelijke en geestelijke dood verdiend.
  • De mens heeft alle voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren.
  • De mens is duisternis geworden.
Zo staat het er dus met iedereen van nature voor. Artikel 14 gaat dan nog verder in op onze wil. Laat niemand denken dat hij of zij neutraal staat tegenover God en satan. Door de zondeval zijn wij zo verdorven dat niemand uit zichzelf voor God en zijn beloften kiest. De mensen hebben de duisternis van nature liever dan het licht (Johannes 3:19). De teksten die worden geciteerd zijn duidelijk. Alleen als Gód ons genadig is, alleen als Gód ons trekt, alleen als Gód het willen en het werken in ons werkt, verandert onze wil zo dat wij voor Hem kiezen.

Als we bij onszelf opmerken dat we liefde hebben voor God en voor zijn Woord, en voor zijn geboden, dan kunnen we alleen Gód daarvoor danken. Zo gaat het uiteindelijk ook in dit artikel om God. Alle eer aan Hem!
1
toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen. (Gen 2:7)

in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. (Gen 3:19)

en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft. (Pred 12:7)

2
En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. (Gen 1:26,27)

en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid (Ef 4:24)

en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper (Kol 3:10)

3
Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen. En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. (Gen 3:16-19)

Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben; (Rom 5:12)

4
maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven. (Gen 2:17)

Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden (Ef 2:1)

verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. (Ef 4:18)

5
De HERE kent de gedachten der mensen: ijdelheid zijn zij. (Ps 94:11)

gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één (Rom 3:10)

Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. (Rom 8:6)

6
Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. (Rom 1:20,21)

7
Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts (Ef 5:8)

Alle aangehaalde bijbelteksten komen uit de NBG vertaling 1951.

Lees meer...

Zonde is erger dan de satan

>> woensdag 24 oktober 2007

Wees nuchter en waak; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden. Bied weerstand aan hem, vast in het geloof, omdat u weet dat hetzelfde lijden ook aan uw broederschap in de wereld opgelegd wordt.
1 Petrus 5:8-9 HSV

Vandaag zat ik te lezen in hoofdstuk 26 van John Piper's boek Toekomstige genade. John Piper geeft in dat hoofdstuk helder onderwijs over waar satan zich op richt om ons de vernieling in te helpen. Inzicht daarin, kan ons juist helpen om weerstand te bieden. Daarom citeer ik graag een gedeelte uit dat hoofdstuk hier:

***
De twee grote vijanden van onze ziel zijn de zonde en satan. De zonde is de ergste vijand, omdat de enige manier waarop satan ons kan vernietigen, is door ons te doen zondigen. (...)
En dat is ook precies wat zijn doel is. Al zijn andere listen - zoals ziekte en een visum dat we zijn kwijtgeraakt en enge geluiden en groene spoken en verscheidene vormen van intimidatie - als deze dingen kunnen ons uiteindelijk geen kwaad berokkenen, tenzij ze ons tot zonde brengen. (...)
Het enige dat ons zal veroordelen op de oordeelsdag is niet-vergeven zonde - niet ziekte, of nood, of vervolging, of intimidatie, of verschijningen, of nachtmerries. Satan weet dat. Daarom richt hij zich er niet primair op om christenen bang te maken door middel van vreemde verschijnselen (hoewel dat ook genoeg gebeurt), maar om christenen te bevuilen door waardeloze bevliegingen en slechte gedachten.

Maar satan weet ook nog iets anders - en veel beter, denk ik, dan veel christenen weten - namelijk dat alle zonde een gevolg is van het niet leven uit het geloof in de toekomstige genade (zie Romeinen 14:23). Dit betekent dat het allereerste doel van satan de vernietiging van het geloof is. Het geloof in de toekomstige genade is de brond van radicale gerechtigheid. Het is de wortel van de liefde en van alle leven dat Christus verheerlijkt. Satan weet dit. Daarom richt hij al zijn inspanningen op de een of andere manier op het voorkomen of vernietigen van geloof in de toekomstige genade.

(...) Het is logisch dat juist datgene wat satan wil vernietigen, nu juist ook het middel is waardoor we aan zijn inspanningen weerstand kunnen bieden. Daarom zegt Petrus: 'Wederstaat hem, vast in het geloof.' En daarom zegt Paulus dat 'het schild des geloofs ... al de brandende pijlen van de boze kan doden' (Efeziërs 6:16). De beste manier om de satan te dwarsbomen, is juist datgene te versterken, dat hij het meest probeert te vernietigen.

John Piper in Toekomstige Genade, blz. 293-294

Lees meer...

Bevrijding van de slavernij

>> vrijdag 21 april 2006

Zoals je misschien weet lees ik dit jaar elke dag een stukje uit het boek Een jaar lezen in Johannes van J.C. Ryle. Vandaag gaat Ryle in op de slavernij van de zonde op basis van Johannes 8:28-36. Hieronder volgt zijn overdenking, waarbij ik ook de tekstgedeelten citeer uit de Statenvertaling (herziening 1977):




Johannes 8:28-36
28 Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij de Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelf niets doe; maar deze dingen spreek Ik, gelijk Mijn Vader Mij geleerd heeft.
29 En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is.
30 Toen Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.
31 Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Indien gij in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen;
32 En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.
33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: Gij zult vrij worden?
34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een ieder, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.
35 En de dienstknecht blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig.
36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.
Deze verzen laten ons de aard van echte slavernij zien. De Joden mochten zich er graag op beroemen dat zij een vrij volk waren en niet gebonden aan een buitenlandse macht, hoewel dat onterecht was. De Heere Jezus herinnert hen aan een andere slavernij die zij niet onderkenden, hoewel zij er door geknecht werden. "Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde."
Dat is inderdaad helemaal waar! Hoeveel mensen zijn er niet die echte slaven zijn, ook al hebben zij dat zelf niet in de gaten. Zij worden in gevangenschap geleid door hun verdorven begeerten en zwakheden en zij lijken geen macht te hebben om weer vrij te komen. Ambitie, geldzucht, drankzucht, het zoeken naar plezier en opwinding, gokken, vraatzucht, buitenechtelijke verhoudingen - dit zijn evenzovele tirannnen onder de mensen. Elk van de voornoemde ondeugden houdt massa's mensen aan handen en voeten gebonden. De ongelukkige gevangenen zullen deze slavernij niet toegeven. Zij zullen er soms zelfs prat op gaan dat ze juist zo vrij zijn. Maar velen weten beter. Er zijn tijden dat het ijzer van de boeien hun hart raakt en dan voelen zij op bittere wijze dat zij slaven zijn.
Er is geen slavernij zo erg als deze. De zonde is inderdaad de hardvochtigste van alle opzichters. Ellende en teleurstelling onderweg, wanhoop en de hel aan het einde - dat is het enige loon dat de zonde uitbetaalt aan zijn dienaren. Het grote doel van het evangelie is om mensen van deze slavernij te verlossen. Om hen een gevoel te geven van hun verval, om hen hun banden te tonen, om hen te laten opstaan en worstelen om vrij te komen - dat is het grote doel waarvoor Christus Zijn dienaren heeft uitgezonden. Gelukkig is de mens bij wie de ogen opengegaan zijn voor het gevaar. De wetenschap dat wij gevangen zitten, is de eerste stap naar de bevrijding.

Tweede lezing: 2 Timotheüs 2:22-26
22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die de Heere aanroepen uit een rein hart.
23 En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen.
24 En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;
25 Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of God hun te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid;
26 En zij wederom ontwaken mochten uit de strik des duivels, waaronder zij gevangen waren tot zijn wil.

Lees meer...

  Template gebaseerd op © Free Blogger Templates Wild Birds door Ourblogtemplates.com 2008

Terug naar boven